Je bent toch gewoon Nederlander?!

gewoon NederlanderToen ik bijna 10 was, verhuisde ik naar het land van mijn ouders: Nederland. Zo zie ik Nederland: als het land van mijn ouders. Ik ben nooit terug gegaan naar Nederland, zoals sommigen weleens zeggen, want ik ben er nooit begonnen.

In die tijd hoorde ik bij maatschappijleer de (toenmalige) definitie van allochtoon:

Als één of beide ouders in het buitenland is geboren, óf jij bent zelf in het buitenland bent geboren, dan ben je allochtoon.

“Hé, ik ben dus allochtoon!”, zei ik.

(Toen had allochtoon nog niet zo’n negatieve lading als nu, en ik was als puber blij dat er erkend werd dat ik niet 100% Nederlands was.)

“Nee, nee, nee! Dat kan niet!”, zei mijn omgeving. “Jíj bent toch gewoon Nederlander?!”.
Dat was niet de eerste keer dat ik dat hoorde, en zeker niet de laatste keer.

Je. Bent. Toch. Gewoon. Nederlander.

Hoe bedoel je toch? Hoe bedoel je gewoon?

Is dat codetaal voor:
We willen niet dat jij afwijkt van het gewone?
We willen niet dat blanken behoren tot de groep buitenlanders?
We willen onze hokjes “Nederlander” en “buitenlander” behouden?

Wat zeiden ze nou eigenlijk? En waarom zeiden ze het? En vooral: ben ik toch wel gewoon Nederlander?

Kijk, ik begrijp het wel: mijn ouders zijn Nederlands, mijn grootouders zijn Nederlands, en mijn overgrootouders zijn Nederlands. Etcetera. Ik zie er Nederlands uit. Blanke huid, donkerblond haar. Een typisch Hollands hoofd (denk ik).

Ik spreek (inmiddels) Algemeen Beschaafd Nederlands. Niemand kan ooit ontdekken uit welke regio ik kom. (Lijkt me nogal logisch: ik kom uit geen enkele Nederlandse regio)

Ik ga op in de Nederlandse massa.

Althans nu ga ik op in de Nederlandse massa. In het begin niet. We woonden de eerste maanden in een hotel. Dan kreeg ik de vraag: “waarom woon je in een hotel?”. En dan vertelde ik dat we net uit Zuid-Korea naar Nederland waren geëmigreerd en nog geen huis hebben.

Gewoon Nederlander
Op school leek ik wel een bezienswaardigheid, want de meester had ook verteld dat ik uit Zuid-Korea was geëmigreerd. Het was zóó bijzonder. Vriendinnetjes en nichtjes vertelden het aan al hun vriendjes en vriendinnetjes. Vragen werden op me afgevuurd: “Hoe kan het dat je Nederlands kunt praten??”. De aandacht en de vragen ebden snel weg, omdat ik met m’n Hollandse hoofd snel opging in de massa. Dat was fijn, want ik houd niet van bijzonder gevonden worden. Maar er zat ook een minder fijne kant aan. Want er werd daarmee ook aangenomen dat ik wist wat de ongeschreven regels en gewoontes van Nederland waren. Dat ik wist hoe ik me moest gedragen, hoe ik op dingen moest reageren. Dat ik alle woorden kende, die iedereen op mijn leeftijd behoorde te kennen. Maar ik wist lang niet altijd hoe ik me moest gedragen. En ik vond lang niet altijd de Nederlandse gewoontes prettig.

En mijn afwijkingen werden me heel duidelijk (gemaakt).

  • Boterhammen smeren en eten. (Het woord boterhammen alleen al vond ik smerig)
  • Melk drinken bij het middageten. (Gatver, wie verzint zoiets?)
  • Naar school fietsen. (Het eerste jaar moest mijn moeder me duwen, omdat ik het niet gewend was)
  • Niet weten hoe je je fietsbanden moet plakken, maar naar de fietsenmaker gaan wordt belachelijk gevonden.
  • Uitgelachen worden om je uitspraak van Engelse woorden, zoals walkman. Ik moest dat uitspreken op z’n Nederlands als wolkman. (Echt, wie klinkt hier nou stom? dacht ik altijd)
  • Commentaar krijgen op hoe je loopt: waggelend als een eend. (Blijkbaar een Braziliaanse hip move overgenomen?)
  • Het koud hebben, maar ouders van vriendinnetjes die weigeren de verwarming aan te zetten: “Daar word je hard van”.
  • Voor gek verklaard worden, omdat je een trui of spijkerbroek draagt bij hoge temperaturen.
  • Niet mee kunnen praten en lachen om Nederlandse kinderprogramma’s van vroeger, omdat je die niet kent.

Om maar iets te noemen. Of deze dingen nou typisch Nederlands zijn, weet ik niet, maar ik kende het niet van Brazilië of Zuid-Korea. Feit was wel dat als ik iets over mijn verleden in het buitenland vertelde, ik vrijwel altijd te horen kreeg: “Maar je bent toch gewoon Nederlander?!”. Als ik dan zei dat ik me toch niet gewoon Nederlander voelde, en als ik dan één van mijn atypische Nederlandse gevoelens, gedachtes of gewoontes deelde, werd er maar gehamerd op “dat ik toch wel echt gewoon Nederlander was”. Geen discussie mogelijk (laat staan een dialoog).

Gewoon NederlanderEn toen zag ik Spoorloos op tv. Mensen die vóór hun eerste levensjaar geadopteerd en geëmigreerd waren, en dan bij terugkomst in hun geboorteland zich meteen thuis voelden. Jááá, dat begreep iedereen. Nou, ik begreep dat niet. Zij hadden niet eens zo lang in hun geboorteland gewoond als ik in mijn geboorteland Brazilië, maar ik was wél Nederlander en zij niet? Hoe kon dat nou? Omdat het “in hun bloed zit”?

Ik begreep de opmerkingen en gedachtegangen van anderen werkelijk niet. Maar zij de mijne ook niet.

Leeftijdsgenoten begrepen mijn grote wereldse beslommeringen niet. Hoe ik mij zorgen maakte over armoede, racisme, ongelijkheid. Dingen die ik vaak met eigen ogen had gezien als kind.

 

Ik voelde me ongelukkig. Ik voelde me niet thuis in Nederland.
Ik las in allerlei tijdschriften, kranten en folders dat je om hulp moest vragen bij problemen. Erover praten met volwassenen. Dat deed ik. Maar docenten zeiden: “Je moet er eens over ophouden. Je doet te moeilijk. Wees gewoon wat vrolijker.” (Tja, ik vertoonde immers geen gedragsproblemen. Blijkbaar moest je eerst schreeuwen, slaan en stelen, om hulp te krijgen.)

Ik zocht hulp bij de instanties. Maar aandacht voor mijn immigratie was er totaal niet. Dat besefte ik pas jaren later ten volle, maar destijds keek ik ook raar op, toen de feedback bij een IQ test was dat mijn woordenschat niet zo hoog was, zonder rekening te houden met het feit hoe lang ik in Nederland woonde. Ik dacht: “Ben ik nou gek of zijn zij nou zo dom?”

Wat ervoor zorgde dat ik niet helemaal aan mezelf ging twijfelen, was dat ik toevallig soms andere kinderen van ex-expats tegenkwam. We hadden aan een half woord genoeg over het in Nederland wonen, als niet “gewone” Nederlander.

En tot op de dag van vandaag, krijg ik van mensen die niet “gewoon” uit Nederland komen, te horen: “Jij bent niet helemaal Nederlands hè?”.

Ik kom ze tegen op feestjes, in winkels of op m’n werk, en vaak ken ik ze helemaal niet of vrij kort. Zij herkennen blijkbaar iets, voorbij mijn blanke huidskleur en typische Hollandse gelaatstrekken. Ik heb er weleens naar gevraagd, en dan werd er bijvoorbeeld gezegd dat ze het zagen aan het feit dat ik met mijn handen praat, maar ook dat ik ze niet negeerde, maar recht aan keek. In tegenstelling tot “gewone” Nederlanders.

Inmiddels zal het me een worst wezen wat anderen vinden dat ik ben. Ik heb geen duidelijke identiteit wat nationaliteit betreft. Ik voel me in geen enkel land echt thuis.

Gewoon Nederlander

Maar wat anderen denken intrigeert mij wel mateloos. Nederlanders die me als “gewone” Nederlander zien – en mij per sé zo willen zien – en niet “gewone” Nederlanders die me niet als “gewone” Nederlander zien.

Ik zie het nu eigenlijk als een zegening hoe mensen reageren. De hokjes, de labels, de paniek, en de gedachtekronkels geven me een kijkje op de kennis en ervaringen van mensen van de wereld (en vooral het gebrek daaraan). Ook denken sommigen dat ze alles tegen mij kunnen zeggen over buitenlanders. Rauw, zonder politiek correcte filter.

Mensen denken dat ze tegen me kunnen praten alsof ik een “gewone” Nederlander ben. Maar dat ben ik niet.

Ik ben een buitenlander incognito.

 

Email this to someoneTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookPin on PinterestShare on Google+Share on StumbleUponShare on Reddit

Previous post:

Next post: