De continue strijd tegen de ontkenning van racisme

Je weet echt niet hoe racisme voelt

De eerste discussie over racisme weet ik nog goed. We fietsten over de Rijksstraatweg in Groningen en ik zei dat ik wel wist hoe racisme voelde, want ik had in Zuid-Korea gewoond als blanke. Blanken werden in Zuid-Korea altijd voor Amerikaan aangezien, en daarom slechter behandeld. Ik ook. Hij zei duidelijk en krachtig: “Je weet echt niet wat racisme is.” Ik ging er verbolgen tegen in: “Waarom hebben zwarten een alleenrecht op racisme en blanken niet…?!”

Hij onderbreekt me weer met ferme stem: “Je weet niet waar je het over hebt, maar als je echt die discussie aan wilt gaan, prima, maar dan ga je die geheid verliezen.” Mijn maag zit in een knoop, niet gewend aan zoveel tegengas. Ik wil tegensputteren, maar ik houd mijn mond. Weet ik eigenlijk wel waar ik het over heb? Hoe erg was wat ik ervaarde in Zuid-Korea? Is dat wel hetzelfde? Is dat wel racisme? Ergens voelde ik dat er iets niet klopte aan mijn vraag over het zogenaamde alleenrecht van zwarten op racisme. Maar wat wist ik niet, en ik deed er ook niet echt iets mee.

Dit was aan het begin van onze relatie. Een interraciale relatie, zoals dat dan heet. En nee, met een interraciale relatie ben je niet gevrijwaard van racisme en white supremacy.

Ontkenning van racisme

Sterker nog, je krijgt daarmee een ticket om de onbewuste white supremist kant van jezelf en je omgeving te ontdekken. Het ticket is gratis en voor altijd geldig, maar je gooit ‘m het liefst weg.

Je wilt met alle macht in de ontkenning blijven zitten en in je witte sprookje geloven.

Racisme is voor veel blanken moeilijk te zien.
Ten eerste omdat racisme complex en gecodeerd is.

Maar vooral omdat je als blanke racisme niet ervaart. (Nee, echt niet, wat je ervaart is discriminatie, dat is wat anders dan racisme). En als je racisme niet ervaart, bestaat het probleem niet in jouw wereld. Je vergeet het snel, je wordt er immers niet dagelijks mee geconfronteerd. En onbewust denk je dan weleens: het zal vast niet zo erg zijn, misschien hebben zwarten het wel echt aan zichzelf te danken.

Als de ervaringen over racisme wél verteld worden, worden ze niet echt geloofd. Dat is juist de white supremist houding: niet geloven wat zwarten vertellen over hun ervaringen, wat ze horen aan bullshit, wat ze zien aan lichaamstaal, wat ze ervaren aan ongelijke behandeling. Dat overdrijven ze vast. Dat zien ze verkeerd.

Hoe ik weet dat die gedachten er zijn? Omdat ik ze zelf ook heb gehad, en nog steeds heb.

Ik hoor mensen al tegen sputteren: “Omdat je het zelf hebt gehad, betekent dat niet perse dat andere blanken die gedachten ook hebben!” Klopt, logischerwijs kun je die conclusie niet trekken. Ik baseer dit op mijn ervaringen en common sense: ik hoor en zie dezelfde reacties, zowel verbaal als non-verbaal, die ik zelf ook gebruikte toen mijn man vertelde over racisme. En common sense zegt me: ik kan echt niet de enige zijn.

Maar los van de vraag of mijn bovenstaande uitspraak een zuivere logische gevolgtrekking is: waarom niet even stilstaan bij wat ik zeg over de white supremist houding? Waarom gelijk aanvallen met “Niet iedereen denkt zoals jij” en “Jij generaliseert ook!”?

Het weigeren stil te staan bij je eigen white supremist houding is exemplarisch voor de houding ten opzichte van zwarten: ik hoef hier niet bij stil te staan als ik dat niet wil, want ik weet en zie het beter dan zij.

Mijn pijn is ook echt! Ik kan er toch niets aan doen dat ik blank ben!?

Als ik vertelde over mijn problemen – onzekerheid, faalangst, vriendschappen – zei hij dat ik last had van *white girl problems*. Luxeproblemen waar in principe alleen blanke Westerse meisjes last van kunnen hebben, omdat ze geen heftigere problemen hebben.

Ik flipte tegen het plafond. “Mijn pijn en mijn leed zijn ook écht. Pijn kun je niet vergelijken! En ik kan er toch ook niks aan doen dat ik blank ben?! Dat ik niet zulke problemen heb? Het is niet eerlijk!!”

Verward vertelde ik hierover aan mijn – blanke – vriendinnen. Het antwoord was dat hij extreem was en geen oog had voor mij. Als ik naar hem zou luisteren, zou ik hem laten domineren. En dat moest ik ten allen tijde voorkomen.

Terwijl ik ergens voelde dat mijn man een kern van waarheid vertelde en ik er iets mee moest doen, zocht ik toch steeds bij mijn blanke omgeving naar antwoorden over hoe om te gaan met zijn ervaringen. Continu kreeg ik te horen dat zijn ervaringen te extreem waren. De boodschappen waren dat hij dominant was, overdreef, en nog niet verlicht en empathisch genoeg was.

Dat hij geen werk kon krijgen, was omdat hij te arrogant was. Zijn boosheid over de ervaringen met racisme, kwam omdat hij nog niet aan zichzelf had gewerkt; hij zou ook eens in therapie moeten en zijn verleden verwerken (zonder ook maar te vragen naar of en hoe hij al gebeurtenissen had verwerkt). Die boosheid duidde op een psychologisch probleem, niet op een maatschappelijk probleem. Die moordaanslag kan toch ook niet waar zijn in deze tijd? Zijn successen tijdens wereldkampioenschappen Martial Arts werden met draaiende ogen beantwoord. Dat hij hard gewerkt heeft om ingenieur én advocaat te worden, deed er niet toe.

Continu was ik in strijd. Bij vriendinnen ging ik hem verdedigen. Maar ik duwde hem toch steeds meer weg. De stereotype boodschappen sijpelden steeds meer naar binnen. Wat hij zei, was waarschijnlijk niet waar, niet relevant, of niet belangrijk genoeg. Ik hoefde daar niet naar te luisteren.

Ik voelde me beter dan hij, omdat hij zwart is

Pas toen mijn relatie op het spel stond door mijn onuitstaanbare gedrag, zei hij: “Je gaat nu eens naar me luisteren, en niet naar je vriendinnen, of het is voorbij.” Och, wat voelde ik een verzet. Ik. Wilde. Niet. Luisteren.

Wat het niet makkelijker maakte, was dat vrienden me uitnodigden om vooral bij hen te komen ten tijde van deze crisis. Want: als je blijft, geef je toe. Als je blijft, laat je hem domineren. Ik bleef. Ik voelde het: Zij haalden me bij hem weg. Ik moest zelf gaan nadenken over wat waar was en wat niet.

Dagen achter elkaar heb ik alleen maar geluisterd naar zijn inzichten uit zijn ervaringen. Elk weerwoord heb ik ingeslikt. Door mijn woorden voor de verandering eens in te slikken, voelde ik waar mijn weerstand vandaan kwam: ik voelde me eigenlijk beter dan hij. Ik vond dat hij minder recht van spreken had. Ik merkte dat ik stereotypische gedachten had. Ik begon te beseffen dat ik niet naar hem wilde luisteren, omdat hij zwart is. Wat hij zegt, zal vast onwaar of overdreven zijn. Dit waren mijn overtuigingen. En mijn overtuigingen werden continu weer bevestigd door mijn omgeving. Ik moest me losmaken.

Tegen alle weerstand en ontkenning in, moest ik echt graven naar een diep weggeborgen superieur gevoel.

Het was misselijkmakend.

Het is alsof je zelf je integriteit aantast. Terwijl je integriteit al die tijd een masker was.
Niemand wil voor de spiegel staan en beseffen dat ‘ie een misselijkmakende kant heeft. Iedereen wil zichzelf zien als een integer persoon. Maar in die spiegel kijken was de enige weg.

Mijn ontkenning van racisme verdween.

Ter-gend lang-zaam.

Ik wil niet steeds over racisme praten.

We lopen op een zonnige dag in Amsterdam over de Amstelbrug. Het gaat weeeer over racisme, en zijn ervaringen daarmee in Amerika. Dat hij Amerika haat, wat ze hem hebben aangedaan. Ik heb er genoeg van, ik wil gewoon gezellig door de stad lopen. Ik hoor de stem van een oude vriendin weer in m’n hoofd: “jij moet je niet laten domineren”. Dus ik zeg er wat van. Hij wordt boos en zegt: “Dit is wat ik ervaren heb, dit is wat ik kwijt wil. Ik moet van anderen altijd m’n mond houden, omdat mensen dit niet willen horen.” Ik weet dat hij gelijk heeft, maar ik worstel ook met mijn eigen gevoelens. Hoe moet ik reageren, hoe moet ik zorgen dat ik niet meegesleurd word in zijn gevoel en dat ik niet mijn eigen blije gevoel verlies? Ik kan er niet elke dag in mee gaan en tegelijkertijd wil ik hem begrijpen, laten uitpraten, zijn verhaal laten doen en hem helpen.

Hij zegt: “Je kunt me niet helpen, dat is weer je blanke houding, dat je wat kunt doen, dat je kunt helpen, dat je kunt redden. Als je met een oorlogsveteraan getrouwd was en hij over z’n trauma’s praat, dan ga je ook niet doen alsof je hem kunt helpen, dan zeg je ook niet dat hij er niet meer over mag praten. Hun vrouwen luisteren gewoon.” Wanhopig antwoord ik: “Soms lukt dat luisteren niet eens!” “Dan luister je niet, dan praat ik wel gewoon, dat maakt me eigenlijk niet uit.” O. Ik besef: ik begrijp het niet, maar mijn woorden en vragen helpen in ieder geval niet. Integendeel, ik houd mijn begrip juist tegen door maar te blijven praten en te hard willen begrijpen. Just shut up.

Ontkenning van racismeOok al verdween mijn ontkenning van racisme langzaam, ik wilde er vaak niet over horen. Ik had toch mijn inzichten opgedaan? Dus klaar. Next phase. Niet dus. Ik wilde niet horen dat hij boos is. Ik wilde blijven geloven in mijn witte sprookje en niet continu geconfronteerd worden met het bestaan van racisme en hoeveel existentiële pijn dat iemand geeft.

Het zijn incidenten. Ze bedoelen het vast niet zo.

In mijn omgeving valt racisme en white supremacy me steeds vaker op. Door mijn eigen ervaringen, en zelfreflectie, en de boeken over racisme en white privilege, die ik verslind. Maar dan komt toch weer die ontkenning van racisme boven drijven. Je ziet anderen (hele subtiele en/of gecodeerde) racistische uitspraken doen of gedrag vertonen, en je zegt tegen jezelf: “Het zijn incidenten. Ze bedoelen het niet zo.” Je wilt werkelijk niet geloven dat racisme en white supremacy echt bestaan. Je wilt niet voelen wat het werkelijk is. Als je dat doet, wordt je mooie beeld van mensen en de samenleving overhoop gegooid. Je wílt dat het incidenten zijn. Je wílt dat ze het goed bedoelen.

Ik ben toch niet gek?

Op een gegeven moment kun je het niet meer ontkennen. Het zijn wel heel veel incidenten. Je hoort keer op keer dezelfde uitspraken en dezelfde argumenten. Je ziet keer op keer hetzelfde gedrag en dezelfde lichaamstaal. Je ziet het bij ie-de-reen. Bij vrienden, kennissen, collega’s, familie. Ie-de-reen. Je begint patronen te zien en denkt: ik ben toch niet gek?

Nee, ik ben niet gek.

Maar ik word wel gek.

Ik zie mensen in allerlei bochten kronkelen om hun (onbewuste) racisme en white supremacy te verbergen. Ik zie die subtiele codes. Die misselijkmakende gecodeerde racistische uitspraken.

Wat moet ik zeggen? Wat kan ik zeggen? Wat moet ik doen? Wat kan ik doen?

Hoe kan een mens zó leven? Met de continue ervaring dat andere mensen je niet moeten vanwege je huidskleur?

Ik kan altijd vluchten. Altijd.

Even alleen de straat opgaan, en dan ben ik 100% blank, en kan ik ‘genieten’ van alle blanke privileges. Ik kan er voor kiezen om even niet aan racisme te denken. Ik kan er voor kiezen om geen boeken over racisme te lezen, ik kan er voor kiezen om niet te luisteren naar de misselijkmakende ervaringen over racisme.

Ik kan er voor kiezen om de slappe uitweg te nemen. Ik kan er voor kiezen om ten volle gebruik te maken van mijn blanke privilege en mijn kop in het zand te steken.

Ik kies ervoor om niet de slappe uitweg te nemen, ook al weet ik niet altijd wat ik precies moet en kan doen. Maar ik moet wel continu die spiegel voor mijn neus en die van anderen zetten.

De ontkenning van racisme zal altijd aan je blijven trekken. Of het nu van andere mensen komt, of uit jezelf, als je de ontkenning van racisme ontkent, is het een verloren strijd.


_______________________________________________________________________________

Email this to someoneTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookPin on PinterestShare on Google+Share on StumbleUponShare on Reddit

Previous post:

Next post: